Voor werknemers met een anciënniteit gelegen voor 1 januari 2014 wordt bij ontslag hun opzegtermijn (of –vergoeding) gedeeltelijk berekend op basis van de reglementering van voor 1 januari 2014 en gedeeltelijk volgens de regelgeving ingevoerd door de Wet op het Eenheidstatuut vanaf 2014.

Voor de meeste arbeiders heeft dit tot gevolg dat zij nog steeds een kortere opzegtermijn hebben dan bedienden met een vergelijkbare anciënniteit. Daarom werd er compensatie voorzien voor arbeiders, in de vorm van een ontslagcompensatievergoeding, een netto vergoeding betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorzieningen (RVA).

Het recht op de ontslagcompensatievergoeding werd gefaseerd ingevoerd.

  • Voor arbeiders die 20 jaar anciënniteit in de onderneming konden bewijzen op 1 januari 2014;
  • Voor arbeiders die 15 jaar anciënniteit in de onderneming konden bewijzen op 1 januari 2015;
  • Voor arbeiders die 10 jaar anciënniteit in de onderneming konden bewijzen op 1 januari 2016;
  • Voor arbeiders die minder dan 10 jaar anciënniteit kunnen bewijzen op 1 januari 2017.

 

Dit betekent dus dat alle arbeiders met een anciënniteit gelegen voor 1 januari 2014, die ontslagen worden (behalve om van dringende reden) vanaf 2017 recht hebben op deze ontslagcompensatievergoeding.

Meer informatie over het recht, de berekening en de aanvraagmodaliteiten voor de ontslagcompensatievergoeding zijn na te lezen op het RVA-infoblad T145.


Lees meer nieuws over: Verloning , ontslag , sociale zekerheid , werkloosheid , wetgeving