1 op de 9 werknemers in ons land rekent wekelijks af met pesterijen. 1 op de 28 gaat er fysiek of mentaal aan onderdoor. Nochtans zou veel ellende kunnen vermeden worden als collega's en leidinggevenden alerter reageren. Vaak is het immers hun reactie die ervoor zorgt dat pesterijen stoppen dan wel escaleren, zo blijkt uit een rondvraag van vacature.com en KU Leuven.

 

Slachtoffers

3,6 procent van de Belgische werknemers is een zwaar slachtoffer van pestgedrag. Dit zijn werknemers die in ernstige mate met pestgedrag en hieruit voortkomende negatieve welzijnsgevolgen te maken hebben, verklaart Professor Elfi Baillien (KU Leuven), die al veertien jaar met onderzoek naar pesten op het werk bezig is. Je hebt werkgerelateerde pestgedragingen zoals werkmateriaal verstoppen, belangrijke informatie achterhouden en overdreven kritiek uiten op iemands werk. En je hebt persoonsgerelateerde pestgedragingen zoals roddels verspreiden, iemand uitsluiten en verregaande en overdreven grapjes maken. Maar liefst 32 procent van de ernstige slachtoffers krijgt wekelijks met beide vormen van pestgedrag te maken. Het persoonlijke pestgedrag heeft de meest negatieve gevolgen. Denk maar aan piekeren of een verlaagd zelfbeeld. Het aantal zware slachtoffers schommelt al een tijd rond 3,5 procent. Het stijgt niet dankzij de nieuwe wetgeving uit 2014 (ondertussen terug te vinden in de codex) dat ondernemingen verplicht om aan pestpreventie te doen. Maar het daalt ook niet door de toegenomen werkeisen. Denk aan moderne technologieën die een hogere efficiëntie nastreven, waardoor je overal en altijd kan werken en er dus meer stress is.

8 procent van de Belgische werknemers heeft te maken met verregaande werkgerelateerde pestgedragingen. Samen met de zware slachtoffers komen we dus op ongeveer 11 procent van de Belgische werknemers. Daarmee scoort België internationaal in de middenmoot. De Belgische wetgeving rond pestpreventie wordt wel als een van de sterkste ter wereld beschouwd.

 

Niet wegkijken

Stel dat een collega gepest wordt, grijpen we dan in of kijken we ook dan gemakshalve de andere kant op? In tegenstelling tot de verwachtingen van de onderzoekers gingen de meeste collega's wel degelijk tot actie over. Sommigen kaartten hetgeen ze gezien hadden aan bij hun leidinggevende of vertrouwenspersoon (63%), anderen boden het slachtoffer een luisterend oor aan (56%) en nog anderen spraken de dader op zijn gedrag aan (52%). Slechts een derde van de werknemers had helemaal niks gedaan. Collega's die zelf al pesterijen hadden meegemaakt, reageerden opvallend vaker dan andere collega's.

Dat deze studie eerdere bevindingen weerlegt, heeft volgens doctoraatsstudente Katrien Vandevelde met de manier van onderzoeken te maken. De meeste studies vertrekken vanuit een experimentele setting. Deelnemers krijgen bepaalde situaties voorgelegd en moeten aangeven hoe ze erop zouden reageren. Ze moet het zich proberen voor te stellen, ook al hebben ze er niet per se ervaring mee. Voor ons onderzoek zijn we expliciet op zoek gegaan naar getuigen, mensen die in hun eigen omgeving een of andere vorm van pesten hebben meegemaakt. Dat leidt blijkbaar tot andere resultaten.

 

Victim blaming

Anders dan in voorgaande onderzoeken leggen de getuigen de schuld niet of slechts in geringe mate bij de slachtoffers. 3% van de getuigen die zelf slachtoffer waren, vinden dat sommigen worden gepest omdat ze het verdienen, tegenover 10% van de getuigen die nog geen slachtoffer waren.

Het bevestigt het vermoeden dat de oorzaak van pesterijen eerder bij werkomstandigheden moet gezocht worden dan wel bij de persoonlijkheidskenmerken, reageert professor Elfi Baillien. Zo weten we intussen dat stress een belangrijke trigger is. Hoger werkritme, nakende herstructureringen, weinig autonomie, onduidelijkheid over het takenpakket, te weinig uitdaging. Al wat werknemers onder druk zet, blijkt een voedingsbodem voor pesterijen.

Toch gaan slachtoffers ook in deze studie niet helemaal vrijuit. Hun "anders zijn" ligt voor twee op de drie getuigen/collega's mee aan de basis van de pesterijen. Vandevelde: Dat anders zijn, is iets wat slachtoffers zelf dikwijls aanhalen als verklaring voor de pesterijen. Helaas hebben we vanuit het onderzoek nog nooit exact kunnen benoemen wat dat anders zijn dan precies is.

Volgens de getuigen klopt het in elk geval niet dat het slachtoffer niet bij de organisatie past of ongeschikt is voor de functie. Ongeveer negen op de tien collega's geven aan dat het slachtoffer goed met de organisatie en de job matcht. Een kwart vindt ook dat het slachtoffer qua persoonlijkheid en waarden complementair met het team is.

Als we diezelfde vragen aan de slachtoffers voorleggen, dan komen we net tot de omgekeerde conclusie. Zij vinden juist dat ze minder goed bij het team, de job en/of de organisatie passen. Mogelijk wijzen deze resultaten erop dat de blik van de slachtoffers door die pesterijen bezoedeld is. Het kan goed zijn dat werknemers zich door de pesterijen minder zeker over hun werk voelen en zichzelf daarom een lagere score geven, reageert Katrien Vandevelde. In de toekomst hopen de onderzoekers ook meer vat op de motieven van de dader te krijgen, want misschien moet "het anders zijn" wel aan die kant gezocht worden. Mogelijk wijken de waarden van de dader sterk af van die van de groep en/of het slachtoffer.

 

Inzetten op preventie!

Opvallend, 87% van de deelnemers duiden de leidinggevende aan als dader. Ik denk, in lijn met internationaal wetenschappelijk onderzoek, dat dat hoge cijfer voor een stuk uit ontgoocheling voortkomt, reageert Baillien. Werknemers gaan ervan uit dat hun leidinggevende ingrijpt wanneer er op de werkvloer iets fout loopt. Gebeurt dat niet, dan gaan ze hem als een deel van het probleem zien, als een dader zeg maar. Bedrijven zouden dus gerust nog meer mogen inzetten op coaching en psychosociale vorming van leidinggevenden. Managers moeten leren om signalen van werknemers tijdig te zien en juist te interpreteren. Pesterijen in de kiem smoren, is voor hen een belangrijke opdracht.

Maar ook collega's kunnen hierin hun steentje bijdragen. Dat velen sympathie hebben voor het slachtoffer, zoals blijkt uit deze studie, betekent dat er ruimte is om hen bij het beleid te betrekken. Van de getuigen in deze studie trok een ruime helft aan de bel bij een leidinggevende of een vertrouwenspersoon. Dat kan je als organisatie verder stimuleren door nog meer over je antipestbeleid en je preventiemaatregelen te communiceren, vertelt Vandevelde. Zorg ervoor dat iedereen weet waar hij met zijn verhaal terecht kan. Elke werknemer zou de contactgegevens van de vertrouwenspersoon of de externe preventiedienst moeten kennen of tenminste weten waar hij ze kan vinden. Hang het uit in de refter, communiceer erover op je intranet of wijs er eens op tijdens een informeel gesprek. Ook naar de dader en het slachtoffer toe vindt ze dat collega's nog meer uit hun schelp zouden mogen komen. Het lijkt erop dat werknemers nog niet goed beseffen welk effect hun tussenkomst kan hebben. Aangezien veel daders verder bouwen op de reactie van anderen, kun je als collega wel degelijk het verschil maken.

 

Bronnen

 

Meer info? Contacteer wellbeing@attentia.be

 


Lees meer nieuws over: Preventie en bescherming , psychosociale risico's